Oude Sam en Josefien zijn in het verlaten kasteel op het Eiland van de Fluisterlingen. Daar hebben ze geslapen na het feest. ’s Ochtends worden ze wakker en het is er steenkoud. Als Oude Sam de haard weer wil aansteken, ziet hij dat al het hout is verdwenen. In de open haard zelf ligt een doek. Als hij die optilt, ziet hij een appel met vreemde tekens op de schil. Opeens gaan er twee ogen open die hem aankijken.
Van schrik springt Oude Sam op. Het doek laat hij vallen.
‘Wat is er aan de hand?’ vraagt Josefien.
‘De appel kijkt naar me,’ zegt Oude Sam. ‘Het is echt heel eng.’
‘Hoezo kijkt de appel naar je?’ zegt Josefien. ‘Appels hebben toch geen ogen.’
‘Deze wel,’ zegt Oude Sam. ‘En er staan allemaal vreemde tekens op de schil.’
Josefien loopt naar Oude Sam toe en kijkt naar het doek in de open haard. Heel voorzichtig trekt ze een punt omhoog en kijkt onder het doek.
‘De appel heeft inderdaad twee ogen,’ zegt ze. ‘Hij kijkt ons echt aan.’
De ogen op de appel kijken eerst Josefien aan. Daarna Oude Sam. Dan kijken ze omhoog naar het doek en knipperen een paar keer.
‘Misschien wil hij wel dat we dit doek weghalen,’ zegt Josefien. Ze kijkt Oude Sam aan. Ze hebben al veel avonturen beleefd, maar zoiets geks als een appel met ogen hebben ze nog nooit ontmoet.
Oude Sam knikt en Josefien trekt het doek weg. Daar ligt de appel op de stenen van de open haard. De ogen van de appel knipperen nog een keer. De vreemde tekens op zijn schil beginnen langzaam te bewegen. Ze schuiven langs elkaar heen en vormen een slingerende lijn. Oude Sam buigt zich verder voorover, maar hij kan het niet lezen.
‘Zulke vreemde tekens heb ik nog nooit eerder gezien,’ zegt Oude Sam.
‘Als jij het niet weet, hoe moeten we dan snappen wat de appel ons probeert te vertellen?’ zegt Josefien.
De appel begint te trillen. Eerst een klein beetje, daarna zo hard dat hij over de stenen van de open haard wegrolt. De as van de open haard dwarrelt op en vormt een grijze wolk, waardoor ze even niets meer zien. Als de grijze wolk is neergedwarreld, springt Josefien opgewonden heen en weer.
‘Kijk, Oude Sam,’ roept Josefien uit. ‘Daar ligt iets.’
Tussen de as ligt een klein zwartgeblakerd ding. Het lijkt wel heel oud. Alsof het al jaren daar in de open haar ligt. Oude Sam kan nog steeds niet goed zien wat het is. Hij buigt zich voorover om het beter te bekijken en op datzelfde moment houden de tekens op de appel stil.
‘Is het iets van de Fluisterlingen?’ vraagt Josefien.
‘Geen idee,’ zegt Oude Sam terwijl hij voorzichtig zijn poot uitsteekt naar het oude, zwartgeblakerde ding.
‘Het lijkt wel een of ander relikwie,’ zegt hij.
Voorzichtig raakt hij het zwartgeblakerde ding met zijn poot aan. De ogen van de appel gaan dicht. Dan klinkt er een onheilspellend geluid. Josefien slaakt een gil van schrik en Oude Sam trekt snel zijn poot terug. Maar het is te laat. Het ding begint te bewegen en langzaam ontstaan er scheuren in de zwartgeblakerde buitenkant. Wat staat onze vrienden nu weer te wachten…