Categorieën
Columns

Slappe lach

“We lachen je niet uit hoor!”

Schaterlachend liggen twee vrouwen in een stoeltje voor de nieuwe ijssalon. In de rij buiten staat een jongen van een jaar of elf de dames met een blik van jonge wijze meewarigheid aan te kijken. Je ziet ‘m denken dat hij en plein public toch echt niet zo stom gaat zitten doen als hij later groot is.

Die blik helpt niet om de dames tot bedaren te brengen. Integendeel, het schaterlachen mondt uit tot een niet te stoppen snikkende, proestende lachbui.

“Misschien moet je dit voorval in je agenda zetten voor later”, hikt de ene dame.

“Jaaaaa”, giert de andere dame, “dan vind je ons vast niet meer zo stom”.

Op het gezicht van de jongen prijkt ongemak nu de dames de pijlers van hun aandacht op hem gericht hebben. Hij kijkt naar de mensen die binnen een ijsje aan het bestellen zijn. Als hij ze weg kon kijken, dan had hij dat vast gedaan.

De dames liggen nog steeds dubbel en zijn niet meer in staat om nog maar een zinnig woord uit te brengen. Gevalletje slappe lach noemen we dat. Vaak werkt dat aanstekelijk en de meeste mensen in de rij hebben last van omhoog krullende mondhoeken. Voor jongens van een jaar of elf is dat nog even een ander verhaal. Eindelijk mag ook hij naar binnen om een ijsje te bestellen.

Langzaam komen de dames een beetje tot bedaren. Gelukkig is van de slappe lach nog nooit iemand doodgegaan. De meewarige blik van een 11-jarige overleven de dames overduidelijk ook wel. Ze staan op en lopen breed glimlachend naar huis.

De jongen zit inmiddels buiten op een bankje van zijn ijsje te genieten en staart ze na. Zijn mondhoeken zien we langzaam omhoog krullen.

2020 © Ingrid Kroeze